NETHERLANDS DRUG POLICY FOUNDATION

Het rapport Fijnaut-De Ruyver: wetenschap of politiek?

 
Tom Decorte
Professor criminologie, Instituut voor Sociaal Drugsonderzoek (Universiteit Gent)
 
Een nieuwe narcoticabrigade oprichten, meer agenten in de Euregio Maas-Rijn, een actieplan voor parket en politie, méér politionele bevoegdheden, een betere juridische samenwerking, en een vermindering van het aantal coffeeshops in Nederland. De (niet geheel onbevooroordeelde) hoogleraren pleiten zonder meer voor meer repressie. Dat is een vreemde bocht voor een wetenschapper, als je de jaren voordien als veiligheidsadviseur van de Belgische overheid een architect van het gedoogbeleid bent geweest. Maar met wetenschappelijke inzichten in de mechanismen die de cannabismarkt heden ten dage drijven, gestoeld op empirisch onderbouwde argumenten, heeft dit rapport niks van doen. Over de symptomen zijn we het eens: het coffeeshopmodel staat onder druk: de coffeeshops zijn te groot geworden, de drugstoeristen veroorzaken overlast en trekken illegale drugsrunners aan, aan de achterdeur van de coffeeshops opereren professionele criminele netwerken.
Empirische studies in België en Nederland hebben onderhand aangegeven wat daarvan de echte oorzaken zijn. Voor Nederland: de reductie van het aantal coffeeshops (waardoor de resterende cannabiswinkels steeds groter worden), de laksheid van de Nederlandse overheid in het regelen van de achterdeur, en de repressieve aanpak van de cannabisteelt. Die laatste strategie heeft de kleinere, idealistische telers wel afgeschrokken maar de winstbeluste louche figuren juist aangetrokken. Voor België: het installeren van een halfslachtig -en lange tijd onduidelijk- gedoogbeleid, en de harde aanpak van de dealpanden. De onuitgesproken boodschap naar de cannabisconsument: ga je spul maar in Nederland halen. En voor beide landen: de illegaliteit van het product is sowieso de belangrijkste motor van de cannabiseconomie geweest.
Deze wetenschappelijke argumenten, die vaak een oorzakelijk verband suggereren tussen de kenmerken van de cannabismarkt en het bestrijdingsbeleid zélf, worden in het rapport Fynaut-De Ruyver niet genoemd, laat staan oordeelkundig weerlegd. In de plaats daarvan voeden de auteurs de illusie dat we door meer politie en justitiële samenwerking het gebruik en de distributie van cannabis beter zullen kunnen beheersen. De discussie over alternatieve vormen van regulering wordt gesmoord met one-liners (de verdragen staan het niet toe, en er is geen draagvlak) die beter in de mond van een politicus passen, dan in die van een wetenschapper.
De maatregelen die beide hoogleraren voorstaan, zullen geen enkele Belg of Nederlander minder doen blowen. Ze zullen wel leiden tot meer illegale bevoorradingskanalen (waar ook andere producten makkelijk te verkrijgen zijn) en nog meer louche spelers op de cannabismarkt. Daarmee wordt de overlast wel gespreid, niet gereduceerd. En de volksgezondheid betaalt het gelag. De softdrugsmarkt, en daarmee ook de kwaliteit, de sterkte en de prijs van het product, zal nog meer onbeheersbaar blijken te zijn. Het blijft dweilen met de kraan open, tenzij de impliciete bedoeling is om meer werkgelegenheid te creëren voor politie- en justitiedienders. Overigens: waarom ontbreekt bij de voorstellen van Fynaut en De Ruyver een schatting van de kosten van de voorgestelde maatregelen? En kunnen zij hun strategieën vertalen in objectief meetbare effecten (in termen van overlastreductie, reductie van cannabisgerelateerde criminaliteit en positieve effecten voor de volksgezondheid)? Want alleen dan kunnen onafhankelijke wetenschapslui in de toekomst het voorgestelde beleid op zijn legitimiteit evalueren…
 

Copyright © 2015 Stichting Drugsbeleid. All rights reserved.
Webhosting